Het Mirakel
Op 15 maart 1345, enkele dagen voor Palmzondag, ontvangt een zieke in de Kalverstraat te Amsterdam de Hostie bij het Sacrament der Zieken. Maar omdat hij zich niet goed voelt geeft hij over. Uit eerbied wordt alles opgevangen en in het vuur geworpen, maar de Hostie blijft in het vuur zweven. Eeuwen erna beschreef Anton van Duinkerken het in een sonnet: “De Hostie, weggeworpen in het vuur, bleef ongedeerd tussen de vlammen zweven. Genadekracht bleek sterker dan natuur.” Een vrouw steekt haar handen tussen de vlammen, haalt de Hostie uit het vuur zonder dat haar handen verbranden en legt het in een kist.
De pastoor van de parochiekerk, de huidige Oude Kerk, wordt erbij gehaald en hij neemt de Hostie mee naar de kerk. De volgende dag opent de vrouw in de woning in de Kalverstraat de kist en vindt tot haar verbazing de Hostie weer in de kist liggen. Zij ontbiedt dadelijk weer de pastoor en hij brengt de Hostie weer terug naar de kerk. De dag daarna ligt de Hostie opnieuw in de kist bij de zieke. Dan pas begrijpt men dat God wil dat dit wonder openbaar gemaakt wordt; zodoende komt de pastoor en neemt de Hostie in een plechtige processie naar de Oude Kerk. Het jaar daarna wordt door bisschop Jan van Arkel verklaard dat er sprake is van een wonder.
Bovendien ontstaat de gewoonte om rond 15 maart een sacramentsprocessie door de straten van Amsterdam te houden. Er komt een stroom pelgrims op gang naar deze kapel om het Mirakel van het Sacrament te vieren. Aan deze ‘roomse’ processie kwam een eind toen in 1578 het bestuur van de stad Amsterdam overging naar het gereformeerde geloof (alteratie). De katholieken mochten hun geloof niet meer openbaar belijden. |

NL / EN




