Het begin

Vanaf ongeveer 1150 begonnen vrouwen een vorm van religieus leven buiten alle kloosterverband om. Zij deden veel aan ziekenzorg. Men kan zeggen dat dit de eerste Begijnen waren, hoewel de naam Begijn pas later ontstond.
Begijnen waren dan ook geen nonnen! Zij woonden niet in de beslotenheid van een klooster. Zij hadden geen ordestichters en geen eeuwige kloostergeloften. Wel moesten zij ongehuwd zijn, een gelofte van kuisheid afleggen en waren ze gehoorzaamheid verschuldigd aan de pastoor. Ook hadden zij geen gelofte van armoede afgelegd en dus konden zij de beschikking houden over hun eigen bezit.
Ze konden hun geloften op ieder moment opzeggen en het Begijnhof verlaten, bijvoorbeeld om in het huwelijk te treden.
De stichtingsdatum van het Begijnhof te Amsterdam staat niet vast. De eerste maal dat er iets genoemd wordt is in 1307 in de Baljuw-rekeningen van Amstelland waarin melding gemaakt wordt van Begijnen. In 1346 wordt in een document gesproken van een Beghynhuys; een Begijnhuis dat op 31 juli 1346 op Sint Petrus avond door Coppe van der Lane aan de Begijnen werd afgestaan.
Op 7 augustus 1393 bekrachtigt Albrecht van Beyeren de statuten van het Hof middels een brief. Hierin neemt hij de Begijnen in bescherming en beveelt een aantal regels waar zij, die op het Hof wonen, zich aan dienen te houden. Hij bepaalt ook dat men pas als Begijn kan worden ontvangen als men minstens 18 maanden op het Hof woont.

|