De kerk van de Begijnen
Reeds in 1397 beschikten de Begijnen over een kleine, aan Maria gewijde kapel.
Na de vergroting van de Hof, werd op 17 oktober 1419 een nieuwe kapel, met daarin een begraafplaats, opgedragen aan de Heilige Maagd Maria, Joannes de Evangelist en de apostel Mattheus, plechtig geconsacreerd door Matthias, titulair bisschop van Biduane (een stadje aan de Adriatische Zee), in zijn hoe- danigheid van vicaris-generaal van bisschop Frederik III van Utrecht.
Tijdens de stadsbranden op 23 april 1421 en op 25 mei 1452 liep de kerk veel schade op. Na het herstel werd de kapel gewijd aan Maria, St. Ursula en Joannes. Al deze vernieuwingen en verbouwingen werden door de Begijnen zelf bekostigd.
De Begijnen werden in de kerk begraven, iets wat in die tijd heel gebruikelijk was. Maar er is één beken- de uitzondering; meesteres Cornelia Arents. Omdat de kerk in haar tijd protestant geworden was, wilde ze er niet in begraven worden maar in het ‘breje kerkpad bij de geut’. Na haar dood op 14 oktober 1654 werd ze toch eerst in de kerk begraven en pas op 2 mei 1655 herbegraven tegen de buitenzijde der kerkmuur.
Door werkzaamheden aan deze kerkmuur werd haar graf later verplaatst naar de rand van het bleekveld. Haar stenen grafzerk wordt nog steeds op 2 mei versierd met bloemen.


|