De Heilige Stede

Op de plaats waar het wonder had plaatsgevonden, werd al snel een kapel ‘Ter Heylighen Stede’ (de Heilige Stede: de heilige plaats) gebouwd.

In een brief van de vicaris-generaal van bisschop Jan van Arkel, bisschop van Utrecht, staat dat hij op 21 oktober 1347 deze kapel heeft gewijd en dat er al het gebruik bestond om rondom deze kapel een biddende omgang te maken.

Vanwege de vele pelgrims die uit Amstelveen en Sloten naar deze kapel en processies kwamen, werd er al snel voor hen een ‘heilige weg’ aangelegd.

De Heilige Stede had drie beuken en achttien zuilen, waarvan er zes een halve tienhoek vormden aan het Rokin (die vergroot werd in 1555). Aan de Kalverstraat was er de ‘heilige hoek’ (de plaats waar het wonder gebeurde) met de haard.

Ook waren er beroemde pelgrims, zoals rond 1484 de aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk (de latere keizer).

Hij schonk de kapel een kelk, misgewaden, een grote waskaars en een glas-in-lood-raam waarop hij zelf afgebeeld stond. Dit raam werd in de kapel geplaatst.

Enkele jaren later schonk hij Amsterdam het recht om zijn keizerskroon boven het stadswapen te mogen voeren.

Bij de alteratie van 1578 werd ook deze kapel geconfisqueerd en na paarden- stal en opslagplaats geweest te zijn, werd het voor de protestantse eredienst gebruikt en ‘Nieuwezijds Kapel’ genoemd.

Enkele voorwerpen uit de Heilige Stede konden door de katholieken van de ‘beeldenstorm’ worden gered, waaronder vier kussens, twee processievaandels en een missaal, en deze werden bij de Begijnen in bewaring gegeven.
Zo heeft het Begijnhof de functie van de Heilige Stede overgenomen.

De Prins van Oranje passeerde tijdens zijn bezoek aan Amsterdam in 1580 de Heilige Stede en een der burgemeesters van Amsterdam wees hem op de tekst “teeckenen ende wonderlijcke dinghen heeft by my ghedaan die Hooghe Godt” in steen gegraveerd en sprak “siet waertoe dese vermaerde plaetse ghecomen is”.

De Prins antwoordde “Doen sy dit aen ‘t ghewijde, wat sal ‘t van de reste wesen?” waarop de burgemeester antwoordde dat men ter zijner tijd geen steen op de andere zou laten. Maar de Prins schudde zijn hoofd en sprak “zyt ghy sonder sonde, werp den eersten steen.”

De foto’s hieronder tonen het altaar en een deel van het priesterkoor.